Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een Statenlid van Sint Maarten dat werd vervolgd voor passieve ambtelijke omkoping, zoals omschreven in artikel 379.1 van het oude Wetboek van de Nederlandse Antillen. Het Hof veroordeelde de verdachte voor het aannemen van giften die verband hielden met vergunningsaanvragen voor een bordeel.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte niet was overgegaan tot een niet-ontvankelijkverklaring van de procureur-generaal en dat het beroep op parlementaire onschendbaarheid onterecht werd verworpen. Tevens werd aangevoerd dat uit het bewijs niet blijkt dat de verdachte door zijn ambtsgedrag zijn plicht heeft verzaakt. Daarnaast werd de beslissing van het Hof over de inbeslagname van een pistool en munitie aangevochten op grond van artikel 397 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord. Het cassatieberoep werd verworpen.
Deze uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de veroordeling en de beslissingen van het Hof in deze strafzaak tegen het Statenlid.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor passieve ambtelijke omkoping wordt bevestigd.