Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd veroordeeld voor dubbele doodslag in Curaçao. Het cassatieberoep werd ingesteld door de verdachte, vertegenwoordigd door advocaten uit Rotterdam.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Hierbij werd ook het standpunt van de Procureur-Generaal betrokken.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 17 december 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.