Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte van Roemeense nationaliteit tegen een verstekarrest van het Gerechtshof Den Haag. De verdachte werd in hoger beroep verstek verklaard omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. De kern van het geschil betrof onder meer de vraag of de inleidende dagvaarding correct in zowel het Nederlands als het Roemeens was uitgereikt, conform artikel 260, vijfde lid, Sv.
De advocaat van verdachte stelde een middel van cassatie voor, maar de Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen. Hiermee blijft het verstekarrest van het hof in stand, waarbij de verdachte werd veroordeeld voor diefstal van scheermesjes uit een winkel.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het verstekarrest van het hof blijft in stand.