Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:2013

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2019
Publicatiedatum
19 december 2019
Zaaknummer
18/03877
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:172 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschappelijke goederen en betaling huuropbrengsten bij samenlevingsovereenkomst

De zaak betreft een geschil tussen twee voormalige samenwonenden die gezamenlijk eigenaar zijn van een woning en een verhuurd bedrijfspand op grond van een samenlevingsovereenkomst. Beide partijen vorderden toedeling van deze panden aan de man, terwijl de vrouw tevens betaling van haar aandeel in de huuropbrengsten van het bedrijfspand eiste.

De rechtbank wees de vorderingen tot toedeling af vanwege onduidelijkheid over de financiële draagkracht van de man, maar kende de vrouw een bedrag aan huuropbrengsten toe vanaf 1 november 2015 tot de datum van levering van haar aandeel. Het hof vernietigde dit vonnis deels en stelde de verdeling van de panden vast, maar bekrachtigde de beslissing over de huuropbrengsten.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de betalingsverplichting van de man heeft bekrachtigd tot de datum van levering en niet tot het moment van verdeling van het bedrijfspand. Op grond van artikel 3:172 BW Pro delen de partijen de huuropbrengsten zolang het pand in gemeenschappelijk eigendom is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de betalingsverplichting betreft en bepaalt dat de man de helft van de netto huuropbrengsten dient te betalen tot het moment van verdeling.

De Hoge Raad draagt de zaak niet opnieuw voor, maar wijzigt het dictum van het arrest van het hof zelf. De proceskosten in cassatie worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: De man moet de helft van de netto huuropbrengsten betalen tot het moment van verdeling van het bedrijfspand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/03877
Datum20 december 2019
ARREST
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: de man,
advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de vrouw,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/600607 / HA / 16-44 van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2016 en 14 december 2016;
b. het arrest in de zaak 200.214.192/01 van het gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2018.
De man heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Tegen de vrouw is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en het zelf afdoen van de zaak.
De advocaat van de man heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
(ii) Krachtens een destijds door hen gesloten samenlevingsovereenkomst zijn zij samen eigenaar van een woning en een verhuurd bedrijfspand.
2.2.1
In dit geding vorderen de man en de vrouw beiden dat de woning en het bedrijfspand worden toebedeeld aan de man. Daarnaast vordert de vrouw veroordeling van de man om aan haar huuropbrengsten van het bedrijfspand te betalen. De rechtbank heeft de vorderingen tot toedeling/verdeling van de panden afgewezen op de grond dat niet duidelijk is of de man financieel in staat is om het aandeel van de vrouw in die panden over te nemen. De rechtbank heeft de vordering van de vrouw ten aanzien van de huuropbrengsten in het dictum als volgt toegewezen:
“5.2. veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 42.050--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, en te vermeerderen met de helft van de netto huuropbrengsten vanaf 1 november 2015 tot aan de datum van levering van het aandeel van de vrouw in het bedrijfspand (…) aan de man, dan wel de datum van levering van dit pand aan een derde.”
2.2.2
Het hof heeft het vonnis vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van de man en de vrouw tot verdeling van de woning en het bedrijfspand zijn afgewezen, en heeft de verdeling van de panden vastgesteld. Het heeft het vonnis voor het overige, voor zover aan hoger beroep onderworpen, bekrachtigd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
De in de onderdelen 1-4 van het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2
Onderdeel 5 klaagt dat het hof ten onrechte het vonnis heeft bekrachtigd ten aanzien van de beslissing dat de man de helft van de netto huuropbrengsten dient te betalen vanaf 1 november 2015 tot aan de datum van levering van het aandeel van de vrouw in het bedrijfspand aan de man dan wel de datum van levering van dat pand aan een derde.
3.3
Het hof heeft (in rov. 3.23) overwogen dat de man en de vrouw tot het moment dat de verdeling heeft plaatsgevonden, het bedrijfspand in gemeenschappelijk eigendom hebben en op grond van art. 3:172 BW Pro delen in de huuropbrengsten van dat pand. Het hof heeft door het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen ten aanzien van de huuropbrengsten, in het dictum van zijn arrest miskend dat de betalingsverplichting van de man geldt tot het moment dat de verdeling heeft plaatsgevonden en niet tot de door de rechtbank genoemde datum van levering.
De klacht is dus gegrond.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het dictum van het arrest van het hof te verbeteren als hierna te vermelden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 juni 2018, doch uitsluitend voor zover het hof in het dictum rov. 5.2 van het vonnis van de rechtbank (zie hiervoor in 2.2.1) heeft bekrachtigd;
- veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen de helft van de netto huuropbrengsten van het bedrijfspand vanaf 1 november 2015 tot het moment dat de verdeling van het bedrijfspand heeft plaatsgevonden;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
20 december 2019.