Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van moord en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het slachtoffer was tegen haar wil uitgehuwelijkt, en de moord werd gepleegd met als motief het herstellen van de familie-eer. De zaak kwam in cassatie nadat het gerechtshof 's-Hertogenbosch verdachte had veroordeeld.
Het cassatieberoep werd ingesteld door verdachte, vertegenwoordigd door zijn advocaat. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden, omdat verdachte onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, en markeert het einde van de procedure in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het gerechtshof in stand blijft.