ECLI:NL:HR:2019:213

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 februari 2019
Publicatiedatum
12 februari 2019
Zaaknummer
17/02377
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 140.1 SrArt. 420ter SrArt. 420bis.1.b SrArt. 225.2 Sr
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak deelneming criminele organisatie en gewoontewitwassen

In deze zaak stond de verdachte terecht voor deelneming aan een criminele organisatie, gewoontewitwassen en het opzettelijk voorhanden hebben van een vervalst rijbewijs. Het hof Arnhem-Leeuwarden had eerder een arrest gewezen waarin de verdachte werd veroordeeld voor het stelen en verkopen van gereedschappen in georganiseerd verband.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Advocaat-Generaal concludeerde echter dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende grond boden voor behandeling in cassatie, omdat de verdachte onvoldoende belang had bij het beroep en de klachten niet tot cassatie konden leiden.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 12 februari 2019.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

Uitspraak

12 februari 2019
Strafkamer
nr. S 17/02377
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 4 mei 2017, nummer 21/005020-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 februari 2019.