Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding
2.Het tweede geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het kind feitelijk tot het gezin van haar grootouders behoorde, hetgeen relevant was voor de toepassing van het nationaliteitsrecht, in het bijzonder artikel 10 lid 2 van Pro de oude Vreemdelingenwet in verbinding met artikel 47 van Pro het oude Vreemdelingenbesluit.
Verzoekster stelde zich op het standpunt dat het kind als gezinslid van haar grootouders moest worden aangemerkt, hetgeen gevolgen had voor haar verblijfsrechtelijke positie. De rechtbank Den Haag had eerder een beschikking gegeven in deze zaak, waartegen verzoekster beroep in cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwees in haar beschikking naar eerdere uitspraken, waaronder de beschikking van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:756), en stelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was nadere motivering niet vereist omdat de klachten niet leidden tot rechtsvragen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank. De beschikking werd uitgesproken door raadsheren onder voorzitterschap van A.M.J. van Buchem-Spapens op 15 februari 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beschikking van de rechtbank.