ECLI:NL:HR:2019:227

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2019
Publicatiedatum
14 februari 2019
Zaaknummer
18/02000
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud)Art. 47 Vreemdelingenbesluit (oud)
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in nationaliteitsrechtelijke zaak over gezinsverband grootouders

In deze zaak stond de vraag centraal of het kind feitelijk tot het gezin van haar grootouders behoorde, hetgeen relevant was voor de toepassing van het nationaliteitsrecht, in het bijzonder artikel 10 lid 2 van Pro de oude Vreemdelingenwet in verbinding met artikel 47 van Pro het oude Vreemdelingenbesluit.

Verzoekster stelde zich op het standpunt dat het kind als gezinslid van haar grootouders moest worden aangemerkt, hetgeen gevolgen had voor haar verblijfsrechtelijke positie. De rechtbank Den Haag had eerder een beschikking gegeven in deze zaak, waartegen verzoekster beroep in cassatie instelde bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwees in haar beschikking naar eerdere uitspraken, waaronder de beschikking van 21 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:756), en stelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was nadere motivering niet vereist omdat de klachten niet leidden tot rechtsvragen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank. De beschikking werd uitgesproken door raadsheren onder voorzitterschap van A.M.J. van Buchem-Spapens op 15 februari 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

15 februari 2019
Eerste Kamer
18/02000
EV/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,
t e g e n
De STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst), zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de Staat.

1.Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 16/01433 ECLI:NL:HR:2017:756 van de Hoge Raad van 21 april 2017;
b. de beschikking in de zaak C/09/531669 HA RK 17-221 van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2018.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het tweede geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
15 februari 2019.