Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 maart 2019.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Gelderland inzake conservatoir beslag op vorderingen van een besloten vennootschap op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Dit beslag werd gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de bestuurder van de vennootschap wegens verdenking van verkeerd labelen van vlees.
De rechtbank had geoordeeld dat aan de eis van artikel 94a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering was voldaan, namelijk dat het beslag kennelijk was gelegd met het doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen. De Hoge Raad stelt echter dat het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen aan de vennootschap zijn gaan toebehoren met kennelijk het doel van verhaalsfrustratie, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is.
Ook de herstructurering van de bedrijfsstructuur en overheveling van vermogensbestanddelen maakt dit oordeel niet anders. Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling en beslissing op het bestaande klaagschrift.
De conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot vernietiging adviseerde, is hierbij gevolgd. Deze uitspraak bouwt voort op eerdere jurisprudentie, waaronder ECLI:NL:HR:2016:580.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor nieuwe behandeling wegens onvoldoende motivering van het beslagdoel.