De zaak betreft een verdachte die door het hof veroordeeld werd voor mishandeling van een politieagent en gelijktijdig werd geconfronteerd met de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie wegens medeplegen afpersing. Het hof besloot de voorwaardelijke jeugddetentie om te zetten in een taakstraf, maar paste daarbij artikel 22b Sr toe om te beoordelen of een taakstraf toegestaan was. Het hof oordeelde dat omzetting niet was toegestaan omdat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het feit een soortgelijke taakstraf had opgelegd gekregen.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte daadwerkelijk binnen vijf jaar voor een soortgelijk feit een taakstraf heeft ondergaan. Volgens de Hoge Raad moet bij de toepassing van artikel 22b Sr het begrip "het door hem begane feit" worden uitgelegd als het feit waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd. De rechter moet ook rekening houden met andere straffen die ter zake van dat feit zijn opgelegd. Hierdoor wordt voorkomen dat een taakstraf alsnog wordt opgelegd terwijl dat volgens artikel 22b Sr niet is toegestaan.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging en de beslissing over de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie betreft. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.