Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
19 februari 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte veroordeeld voor grootschalige internetoplichting en witwassen. De verdachte bood via speciaal ontworpen websites goederen te koop aan, nam betalingen in ontvangst, maar leverde deze niet.
De verdediging verzocht om het horen van getuigen over het vreemdelingenrechtelijke uitzettingstraject van de verdachte, waarbij sprake zou zijn van een verkapte uitlevering. Dit verzoek werd afgewezen. De Hoge Raad behandelde tevens de verhouding tussen uitzetting en verkapte uitlevering.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel van de verdediging niet tot cassatie kon leiden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar volgde.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 38 maanden naar 36 maanden. Het overige beroep werd verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 19 februari 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 38 naar 36 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.