Belanghebbende maakte tijdig bezwaar tegen een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting, maar motiveerde dit bezwaar pas na herhaalde verzoeken van de Inspecteur. De Inspecteur deed uitspraak op bezwaar ruim achttien maanden later dan de redelijke termijn van twee jaar.
Het Hof stelde dat sprake was van een bijzondere omstandigheid die de redelijke termijn verlengde tot 42 maanden, omdat belanghebbende de procedure had vertraagd door uitstelverzoeken en het vragen om bewijsstukken. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze omstandigheden niet als bijzondere omstandigheid kwalificeren.
De redelijke termijn is daardoor overschreden en de Inspecteur moet belanghebbende een vergoeding van €1.500 betalen voor immateriële schade. Tevens worden proceskosten en griffierechten aan belanghebbende toegewezen. De uitspraak van het Hof en de Rechtbank worden vernietigd voor zover het verzoek om vergoeding werd afgewezen.