ECLI:NL:HR:2019:287

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2019
Publicatiedatum
21 februari 2019
Zaaknummer
18/01676
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn

Belanghebbende heeft tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld inzake een naheffingsaanslag omzetbelasting, boetebeschikking en heffingsrente over 2010. De Hoge Raad beoordeelde of het beroep ontvankelijk was.

De griffier van het Hof had vastgesteld dat de uitspraak op 9 maart 2018 aan partijen was verzonden. Het beroepschrift in cassatie werd pas op 24 april 2018 ontvangen, terwijl de wettelijke termijn zes weken bedroeg en eindigde op 20 april 2018. De Hoge Raad gaf belanghebbende vervolgens een extra termijn om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden of een reden voor de overschrijding te geven.

Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid binnen de gestelde termijn. Een brief die later binnenkwam werd buiten beschouwing gelaten. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

22 februari 2019
Nr. 18/01676
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 9 maart 2018, nr. BK-17/00502, betreffende een aan belanghebbende over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van het Hof heeft op de uitspraak van het Hof aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 9 maart 2018.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 24 april 2018 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in het onderhavige geval eindigde op 20 april 2018.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 3 mei 2018 in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de dagtekening van deze brief aan te tonen dat het beroepschrift in cassatie voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, dan wel mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Die termijn eindigde op 31 mei 2018. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid niet tijdig gebruikgemaakt. De op 13 juni 2018 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten.
Gelet op het hiervoor overwogene moet het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019.