Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag betreffende een smaadschriftzaak. De verdachte stelde onder meer dat hij te goeder trouw kon aannemen dat de ten laste gelegde feiten waar waren en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste, zoals bedoeld in art. 261 lid 3 Sr Pro.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof. De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 5 maart 2019, waarbij de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlags betrokken waren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.