Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 mei 2017, waarin hij werd veroordeeld voor valsheid in geschrift door het gebruik van een valse dagvaarding. De verdediging stelde een middel van cassatie voor, gericht op een bewijsklacht omtrent het daderschap.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad heeft het middel beoordeeld. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, oordeelde de Hoge Raad dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.
Daarop heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het Gerechtshof in stand gelaten. Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Buruma en van Strien, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 5 maart 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor valsheid in geschrift door middel van een valse dagvaarding.