Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 maart 2017, waarin verdachte werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging door het gooien van brandbare vloeistof over het standbeeld 'Het Lieverdje' op het Spui te Amsterdam en het aansteken daarvan.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat vervolging en bestraffing in strijd waren met de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Tevens werd betwist of het handelen kwalificeerde als openlijke geweldpleging ex artikel 141 Sr Pro. De Hoge Raad verwierp deze verweren en bevestigde het oordeel van het hof dat het handelen van verdachte onder openlijke geweldpleging valt.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, maar gelet op de opgelegde straf en de mate van overschrijding geen aanleiding bestond om hieraan rechtsgevolgen te verbinden.
Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor openlijke geweldpleging bevestigd.