ECLI:NL:HR:2019:321

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2019
Publicatiedatum
6 maart 2019
Zaaknummer
18/00154
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:83 lid 2 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtsgeldigheid pandrecht ondanks niet-overdraagbaarheidsbeding

In deze zaak stond de vraag centraal of een bank een rechtsgeldig pandrecht kan vestigen op vorderingen waarop een beding van niet-overdraagbaarheid van toepassing is. De curator in faillissementen van twee ondernemingen stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat het pandrecht van de bank bevestigde.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en het arrest van het hof voor de feiten en het procesverloop. De bank had voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Na behandeling van de processtukken en de conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het cassatieberoep strekte, oordeelde de Hoge Raad dat de klachten van de curator niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad bevestigde dat het pandrecht rechtsgeldig is, ondanks het beding van niet-overdraagbaarheid, omdat dit beding een verbintenisrechtelijke werking heeft en niet aan de goederenrechtelijke werking van het pandrecht in de weg staat. Het arrest van het hof werd bekrachtigd en het cassatieberoep van de curator verworpen. De curator werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

8 maart 2019
Eerste Kamer
18/00154
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
Maarten Johan Willem VAN INGEN, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Astrea Groep B.V. en Ingenieursbureau Technipower B.V.,
kantoorhoudende te Eindhoven,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,
t e g e n
F. VAN LANSCHOT BANKIERS N.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator en de bank.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/01/284493/HA ZA 14-742 van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2015 en 3 juni 2015;
b. het arrest in de zaak 200.176.279/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De bank heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding
en het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de bank mede door mr. R. Bloemink.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Nu het middel in het principale beroep faalt, komt het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep niet aan de orde.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 6.662,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
8 maart 2019.