ECLI:NL:HR:2019:322

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 maart 2019
Publicatiedatum
7 maart 2019
Zaaknummer
18/02931
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:4 AwbArt. 8:57 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en inzagerecht in bezwaarfase

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Amsterdam en diende bezwaar in met het verzoek om telefonisch te worden gehoord en om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De heffingsambtenaar gaf belanghebbende de gelegenheid om binnen twee weken de gronden van het bezwaar in te dienen, maar belanghebbende gaf aan daartoe niet in staat te zijn zonder inzage in de stukken.

De heffingsambtenaar stelde een telefonische hoorzitting in, waarbij belanghebbende geen gebruik maakte van het inzagerecht en de hoorzitting niet plaatsvond. Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar. Het Hof bevestigde deze niet-ontvankelijkheid op grond van het beperkte inzagerecht in de bezwaarfase.

In cassatie klaagde belanghebbende dat het Hof uitspraak deed zonder hem in de gelegenheid te stellen ter zitting te worden gehoord. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onbegrijpelijk handelde door te stellen dat belanghebbende geen gebruik maakte van het recht op zitting, maar dat dit geen reden was om het beroep in cassatie gegrond te verklaren.

De Hoge Raad bevestigde dat het bestuursorgaan in de bezwaarfase geen verplichting heeft tot toezending van stukken indien de gronden van het bezwaar ontbreken, en dat het verzoek van belanghebbende geen reden was om niet te voldoen aan de motiveringsplicht. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens ontbreken van de gronden.

Uitspraak

8 maart 2019
Nr. 18/02931
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 31 juli 2018, nr. 17/00475, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 17/1731) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klacht

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 18 januari 2017 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag). Belanghebbende heeft een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend met het verzoek telefonisch op het bezwaar te worden gehoord, en het verzoek om voor de hoorzitting de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem toe te zenden.
2.1.2.
Bij brief van 8 februari 2017 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de gronden van het bezwaar in te dienen. Belanghebbende heeft bij brief van 21 februari 2017 laten weten daartoe niet in staat te zijn omdat hij niet beschikt over een afschrift van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
2.1.3.
Bij brief van 23 februari 2017 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende bericht dat op 10 maart 2017 een telefonische hoorzitting zou plaatsvinden en dat belanghebbende tot drie dagen voor de hoorzitting de gelegenheid had de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Op 10 maart 2017 heeft de heffingsambtenaar tevergeefs telefonisch contact gezocht met belanghebbende. Een (telefonisch) hoorgesprek heeft niet plaatsgevonden.
2.1.4.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 maart 2017 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.
2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.2.2.
Belanghebbende heeft dit in beroep en in hoger beroep bestreden met de stelling dat de heffingsambtenaar, door niet in te gaan op het verzoek om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken, geen behoorlijke gelegenheid heeft geboden tot herstel van het verzuim de gronden van het bezwaar op te geven.
2.2.3.
Het Hof heeft uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat ten aanzien van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase uitsluitend een inzagerecht bestaat, en op die grond geoordeeld dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.3.1.
In cassatie wordt erover geklaagd dat het Hof met toepassing van artikel 8:57, lid 1, Awb uitspraak heeft gedaan zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen ter zitting te worden gehoord.
2.3.2.
Tot de stukken waarover de Hoge Raad beschikt, behoort een afschrift van een brief van het Hof gedateerd 18 mei 2018 waarin belanghebbende is gewezen op diens recht ter zitting te worden gehoord, met de mededeling dat indien belanghebbende van dit recht gebruik wilde maken, hij dat binnen vier weken schriftelijk kenbaar diende te maken.
Tot die stukken behoren ook afschriften van een faxbericht gedateerd 19 mei 2018 waarin, met vermelding van het door het Hof aan de zaak toegekende kenmerk, is meegedeeld dat belanghebbende verzoekt om een behandeling ter zitting, en van een verzendbericht waaruit valt af te leiden dat deze fax op 19 mei 2018 is verzonden naar een faxaansluiting van het Hof.
2.3.3.
Het in de bestreden uitspraak gegeven oordeel dat partijen geen gebruik hebben gemaakt van de hen door het Hof op de voet van artikel 8:57, lid 1, Awb geboden gelegenheid te verklaren dat zij op een zitting wensen te worden gehoord is, gelet op de hiervoor bij 2.3.2 genoemde stukken, niet begrijpelijk. De klacht is dus terecht aangevoerd. Tot cassatie kan dat echter niet leiden op grond van het navolgende.
2.4.1.
Het bestuursorgaan is verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen in het kader van het horen van de belanghebbende in bezwaar (artikel 7:4 Awb Pro). Een dergelijke verplichting bestaat niet in een geval als het onderhavige, waarin geen enkele aanduiding is gegeven van de gronden van het bezwaar.
2.4.2.
Het door belanghebbende gedane verzoek om afschrift van de stukken was geen grond om niet te voldoen aan de verplichting het bezwaar te motiveren binnen de door de heffingsambtenaar gestelde termijn. Het oordeel van het Hof omtrent de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2019.