Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 maart 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 januari 2018 in een strafzaak wegens poging tot doodslag. Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur met middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad beoordeelt daarom de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat het ontbreken van de middelen van cassatie betekent dat het beroep niet ontvankelijk is. Er zijn geen middelen van cassatie door de verdachte voorgesteld.
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof. De uitspraak is gedaan door raadsheer A.L.J. van Strien op 12 maart 2019, in aanwezigheid van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.