Uitspraak
wonende te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het incidentele verzoek
4.Beslissing
11 januari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing is op een verzetprocedure op grond van artikel 10 Faillissementswet Pro (Fw). De verzoekster, woonachtig in de Verenigde Arabische Emiraten en voormalig bestuurder van de failliete vennootschap LCG Canada Financial Products 1 B.V., kwam in verzet tegen de faillietverklaring van deze vennootschap.
De curator verzocht incidenteel zekerheidstelling voor de proceskosten, omdat de verzoekster geen woonplaats in Nederland heeft en Nederland geen partij is bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waardoor verhaal van proceskosten in het buitenland niet mogelijk is. De rechtbank en het hof hadden reeds verzoeken van de curator toegewezen en de verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in het verzet.
De Hoge Raad bevestigde dat art. 224 Rv Pro ook van toepassing is op derden die op grond van art. 10 Fw Pro in verzet komen tegen een faillietverklaring, ook als zij geen woonplaats in Nederland hebben. De verzoekster werd daarom bevolen zekerheid te stellen voor de proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in het cassatieberoep. De zaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.
Uitkomst: Verzoekster is gehouden zekerheid te stellen voor proceskosten op straffe van niet-ontvankelijkheid in cassatie.