ECLI:NL:HR:2019:36

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2019
Publicatiedatum
10 januari 2019
Zaaknummer
18/02704
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 10 FwArt. 27 FwArt. 313 lid 1 FwArt. 414 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing art. 224 Rv in verzetprocedure faillissementsverklaring

In deze zaak stond centraal of artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing is op een verzetprocedure op grond van artikel 10 Faillissementswet Pro (Fw). De verzoekster, woonachtig in de Verenigde Arabische Emiraten en voormalig bestuurder van de failliete vennootschap LCG Canada Financial Products 1 B.V., kwam in verzet tegen de faillietverklaring van deze vennootschap.

De curator verzocht incidenteel zekerheidstelling voor de proceskosten, omdat de verzoekster geen woonplaats in Nederland heeft en Nederland geen partij is bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waardoor verhaal van proceskosten in het buitenland niet mogelijk is. De rechtbank en het hof hadden reeds verzoeken van de curator toegewezen en de verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in het verzet.

De Hoge Raad bevestigde dat art. 224 Rv Pro ook van toepassing is op derden die op grond van art. 10 Fw Pro in verzet komen tegen een faillietverklaring, ook als zij geen woonplaats in Nederland hebben. De verzoekster werd daarom bevolen zekerheid te stellen voor de proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid in het cassatieberoep. De zaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.

Uitkomst: Verzoekster is gehouden zekerheid te stellen voor proceskosten op straffe van niet-ontvankelijkheid in cassatie.

Uitspraak

11 januari 2019
Eerste Kamer
18/02704
TT/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
Pieter Rudolf DEKKER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van LCG CANADA FINANCIAL PRODUCTS 1 B.V., kantoorhoudende te Rosmalen,
VERWEERDER in cassatie,
advocaten: mr. A.C. van Schaick en
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de curator.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/13/16/183-F van de rechtbank Amsterdam van 27 mei 2016 en 9 juni 2016;
b. de arresten in de zaak 200.193.455/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 augustus 2016 en 12 juni 2018.
Het arrest van het hof van 12 juni 2018 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 12 juni 2018 heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. De curator heeft een incidenteel verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend. Het cassatierekest en het incidenteel verzoek tot zekerheidstelling zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
[verzoekster] heeft in het incidentele verzoek verzocht de curator niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot afwijzing van het incidentele verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten.
De advocaten van de curator hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het incidentele verzoek

3.1
Bij de beoordeling van het incidentele verzoek kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Mr. P.R. Dekker heeft in zijn hoedanigheid van vereffenaar van LCG Canada Financial Products 1 B.V. (hierna: LCG Canada) de rechtbank verzocht LCG Canada in staat van faillissement te verklaren.
(ii) De rechtbank heeft LCG Canada in staat van faillissement verklaard met aanstelling van mr. P.R. Dekker als curator.
(iii) [verzoekster] is, althans was, indirect bestuurder en aandeelhouder van LCG Canada. [verzoekster] woont in [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten.
3.2.1
[verzoekster] is op de voet van art. 10 Fw Pro in verzet gekomen tegen de faillietverklaring van LCG Canada. De curator heeft daarop onder meer een incidenteel verzoek ingediend tot zekerheidstelling voor de proceskosten door [verzoekster] . De rechtbank heeft bij vonnis in het incident dit verzoek toegewezen en heeft in haar eindvonnis [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet.
3.2.2
[verzoekster] is in hoger beroep gegaan van laatstgenoemd vonnis. De curator heeft onder meer een incidenteel verzoek ingediend tot schorsing van het geding op de voet van art. 27 Fw Pro in verbinding met art. 313 lid 1 Fw Pro teneinde in de gelegenheid te worden gesteld om de bewindvoerder van [verzoekster] (in de inmiddels op haar van toepassing geworden wettelijke schuldsaneringsregeling) op te roepen tot overneming van het geding. Nadat het hof het geding had geschorst, heeft de bewindvoerder het hof bericht het geding niet te zullen overnemen. De curator heeft daarop om ontslag van instantie verzocht. Het hof heeft in zijn eindarrest dit verzoek toegewezen.
3.3.1
[verzoekster] heeft cassatieberoep ingesteld tegen laatstgenoemd arrest.
De curator heeft in de onderhavige cassatieprocedure op de voet van art. 224 Rv Pro in verbinding met art. 414 Rv Pro een incidenteel verzoek ingediend strekkende tot de veroordeling van [verzoekster] om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [verzoekster] woont in [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten, dat deze staat geen partij is bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, en dat tegen [verzoekster] in Nederland geen verhaal mogelijk is voor de proceskosten.
[verzoekster] heeft als verweer tegen het incidentele verzoek in de eerste plaats aangevoerd dat art. 224 Rv Pro toepassing mist omdat niet kan worden gezegd dat zij een vordering heeft ingesteld, zich heeft gevoegd dan wel is tussengekomen in een geding in Nederland als bedoeld in die bepaling. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat zij, gegeven de statutaire vestigingsplaats van LCG Canada in Nederland en gegeven haar hoedanigheid van bestuurder van LCG Canada, niet kan worden aangemerkt als een persoon zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland in de zin van art. 224 Rv Pro.
3.3.2
Art. 224 lid 1 Rv Pro bepaalt, voor zover in cassatie van belang, dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen of zich voegen of tussenkomen in een geding alhier, verplicht zijn op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden. De strekking van deze bepaling is te voorkomen dat een gedaagde wordt geconfronteerd met een oninbare proceskostenveroordeling in verband met het ontbreken van de mogelijkheid tot tenuitvoerlegging daarvan in het land waar de eiser zijn woonplaats heeft (vgl. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 392).
3.3.3
Vast staat dat [verzoekster] woont in [woonplaats], Verenigde Arabische Emiraten, en dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland, zodat in zoverre is voldaan aan het vereiste van art. 224 lid 1 Rv Pro. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat [verzoekster] bestuurder is of was van de vennootschap LCG Canada, die statutair is gevestigd in Nederland.
3.3.4
[verzoekster] heeft verder aangevoerd dat zij niet kan worden aangemerkt als een persoon die bij een Nederlandse rechter een vordering heeft ingesteld, zich heeft gevoegd of is tussengekomen in een geding in Nederland als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv Pro. Deze stelling kan haar niet baten. Mede gelet op de strekking van art. 224 lid 1 Rv Pro (hiervoor weergegeven in 3.3.2) moet worden aangenomen dat de bepaling van overeenkomstige toepassing is indien een derde op de voet van art. 10 Fw Pro in verzet komt tegen de faillietverklaring van een andere (rechts)persoon.
3.3.5
Het hiervoor in 3.3.3 en 3.3.4 overwogene brengt mee dat [verzoekster] gehouden is zekerheid te stellen. Het verzoek van de curator wordt derhalve toegewezen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
in het incident:
beveelt dat [verzoekster] ten behoeve van de curator zekerheid stelt voor een bedrag van € 3.500,-- ter zake van de proceskosten waartoe [verzoekster] in de procedure in cassatie veroordeeld zou kunnen worden;
bepaalt dat de zekerheid moet zijn gesteld uiterlijk op 8 februari 2019, op straffe van niet-ontvankelijkheid van [verzoekster] in het cassatieberoep;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van dit incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 800,--;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 15 februari 2019 voor voortprocederen.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
11 januari 2019.