Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 20 september 2018, nr. HAA 18/710, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 12 april 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake een belastingrechtelijk geschil. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld.
Hoewel de brief is afgehaald, heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan. Vervolgens is belanghebbende opnieuw aangeschreven om een toelichting te geven op het niet tijdig betalen, maar hierop is geen reactie ontvangen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is op 15 maart 2019 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.