Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
19 maart 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in zijn auto, in strijd met de Opiumwet. Tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden werd cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel, dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid bevatte, niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van zes maanden naar vijf maanden en drie weken. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 19 maart 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van zes maanden naar vijf maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.