ECLI:NL:HR:2019:40

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2019
Publicatiedatum
11 januari 2019
Zaaknummer
17/02699
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in medeplegen mensenhandel

De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel met betrekking tot minderjarige personen, waaronder een minderjarig nichtje uit Turkije die jarenlang werd uitgebuit.

Het eerste middel richt zich op de bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting, waarbij de Hoge Raad verwijst naar een parallelle zaak (ECLI:NL:HR:2019:39) en oordeelt dat dit middel niet tot cassatie kan leiden.

Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De Hoge Raad acht dit middel gegrond en vermindert daarom de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden naar 21 maanden.

Voor het overige wordt het beroep verworpen, waarbij geen verdere motivering wordt gegeven omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.

De uitspraak is gewezen door de vice-president van Schendel en raadsheren Buruma en Van den Brink op 15 januari 2019.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 21 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.

Uitspraak

15 januari 2019
Strafkamer
nr. S 17/02699
DAZ/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 mei 2017, nummer 22/000425-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1972.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van - kort gezegd - het medeplegen van mensenhandel, in het bijzonder voor zover het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte heeft gehandeld met het "oogmerk van uitbuiting".
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest in de zaak 17/02697 (ECLI:NL:HR:2019:39) kan het middel niet tot cassatie leiden.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt onder meer dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is in zoverre gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden.
3.3.
Het middel kan voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 21 maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 januari 2019.