Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
15 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van mensenhandel met betrekking tot minderjarige personen, waaronder een minderjarig nichtje uit Turkije die jarenlang werd uitgebuit.
Het eerste middel richt zich op de bewezenverklaring van het oogmerk van uitbuiting, waarbij de Hoge Raad verwijst naar een parallelle zaak (ECLI:NL:HR:2019:39) en oordeelt dat dit middel niet tot cassatie kan leiden.
Het tweede middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. De Hoge Raad acht dit middel gegrond en vermindert daarom de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden naar 21 maanden.
Voor het overige wordt het beroep verworpen, waarbij geen verdere motivering wordt gegeven omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.
De uitspraak is gewezen door de vice-president van Schendel en raadsheren Buruma en Van den Brink op 15 januari 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 21 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.