Belanghebbende, een besloten vennootschap, stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM).
Het cassatieberoep richtte zich tegen het oordeel van het hof in hoger beroep, waarbij ook incidenteel hoger beroep was ingesteld door belanghebbende. De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende.
Na beoordeling van de vier voorgestelde middelen concludeerde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 22 maart 2019.