Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel
3.Beoordeling van het vierde middel
4.Beslissing
26 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over verschillende overtredingen van de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie. De Hoge Raad beoordeelde meerdere middelen, waaronder klachten over bewijsvoering en innerlijke tegenstrijdigheden, maar verwierp deze zonder nadere motivering.
Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de straf en verminderde deze tot veertien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel als voorzitter en raadsheren Van Strien en Boerlage op 26 maart 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot veertien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.