Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
26 maart 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake verschillende overtredingen van de Opiumwet en deelneming aan een criminele organisatie.
De verdachte klaagde over de onbegrijpelijkheid van de strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn in cassatiefase was overschreden omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest dat de duur van de taakstraf en vervangende hechtenis bepaalde, met vermindering van de taakstraf van 180 naar 171 uren en de vervangende hechtenis van 90 naar 85 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Taakstraf verminderd tot 171 uren en vervangende hechtenis tot 85 dagen wegens overschrijding redelijke termijn.