Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017 in een verkrachtingszaak. De verdachte maakte misbruik van zijn positie als huisvriend van het slachtoffer en haar moeder, en van de kwetsbare situatie van het slachtoffer die net uit een detox-opname kwam.
De Hoge Raad oordeelt dat de bewezenverklaarde omstandigheden voldoende zijn en dat het middel van cassatie geen aanleiding geeft tot het beantwoorden van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep wordt daarom verworpen zonder nadere motivering.
De uitspraak bevestigt het belang van art. 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voor cassatiezaken en onderstreept dat bewezenverklaarde feiten niet snel ter discussie worden gesteld in cassatie. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor verkrachting.