Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het bezit van een creditcardmes door verdachte op de luchthaven van Eindhoven, waarbij de vraag centraal stond of een creditcardmes kan worden aangemerkt als een blank wapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, zoals bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wet wapens en munitie (WWM).
Verdachte stelde in cassatie dat het oordeel van het gerechtshof onjuist was, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden. Er was geen aanleiding om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies. Het arrest bevestigt daarmee het eerdere arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 mei 2018.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 16 april 2019, waarbij vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren V. van den Brink en M.T. Boerlage betrokken waren.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt strafrechtelijke kwalificatie van bezit creditcardmes.