Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor doodslag te Roosendaal, waarbij hij een achterbuurman doodschoot die kwam bemiddelen bij een burenruzie. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch had verdachte eerder veroordeeld. Verdachte stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid. De advocaten van verdachte dienden een schriftuur in, welke deel uitmaakt van het arrest. Na beoordeling oordeelde de Hoge Raad dat de aangevoerde klachten onvoldoende belang hadden of niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Hiermee komt een einde aan de cassatieprocedure in deze strafzaak.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 2 april 2019, met vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard.