De gemeente Voorst had langlopende duurovereenkomsten uit 1923 en 1976 met Liander c.s., waarin onder meer contractuele gedoogplichten waren opgenomen. De gemeente zegde deze overeenkomsten op om ruimte te scheppen voor het heffen van precariobelasting, een directe belasting op kabels en leidingen op gemeentelijke grond.
De rechtbank wees de vordering van Liander c.s. tot nakoming van de overeenkomsten af, maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigde dit en oordeelde dat vanwege de aard van de duurovereenkomsten en de omstandigheden alleen opzegging met een voldoende zwaarwegende grond mogelijk is. Het hof vond dat het financiële belang van de gemeente bij precariobelasting niet zwaarwegend genoeg was om de opzegging te rechtvaardigen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van de gemeente. De Hoge Raad benadrukte dat de opzegbaarheid van duurovereenkomsten beperkt kan zijn door redelijkheid en billijkheid, en dat de wens tot precariobelasting geen voldoende zwaarwegende grond vormt. Ook het incidentele cassatieberoep van Liander c.s. werd verworpen.
De Hoge Raad veroordeelde beide partijen in de proceskosten en bevestigde hiermee de noodzaak van een zwaarwegende grond voor opzegging van dergelijke langdurige contracten, waarbij financiële motieven van de gemeente niet toereikend zijn.