In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de ouders van een overleden vrouw en haar ongeboren kind misbruik van bevoegdheid pleegden door de echtgenoot van de vrouw de toestemming voor opgraving van de stoffelijke resten te weigeren. De rechtbank Noord-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hadden eerder de weigering van toestemming bevestigd.
Eiser, de echtgenoot, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, stellende dat de ouders hun bevoegdheid misbruikten door de toestemming te weigeren. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie, mede omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak benadrukt het belang van de wettelijke regeling omtrent toestemming voor opgraving en de zorgvuldige afweging van belangen tussen de betrokken partijen.