Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:453

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 maart 2019
Publicatiedatum
28 maart 2019
Zaaknummer
18/01045
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROWet op de lijkbezorging
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering toestemming opgraving stoffelijke resten door ouders niet misbruik bevoegdheid

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de ouders van een overleden vrouw en haar ongeboren kind misbruik van bevoegdheid pleegden door de echtgenoot van de vrouw de toestemming voor opgraving van de stoffelijke resten te weigeren. De rechtbank Noord-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hadden eerder de weigering van toestemming bevestigd.

Eiser, de echtgenoot, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, stellende dat de ouders hun bevoegdheid misbruikten door de toestemming te weigeren. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie, mede omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak benadrukt het belang van de wettelijke regeling omtrent toestemming voor opgraving en de zorgvuldige afweging van belangen tussen de betrokken partijen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de echtgenoot wordt verworpen en de weigering van toestemming door de ouders wordt bevestigd.

Uitspraak

29 maart 2019
Eerste Kamer
18/01045
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
2. [verweerster 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes.
Eiser zal hierna ook worden aangeduid als [eiser] .
Verweerders zullen hierna gezamenlijk ook worden aangeduid als [verweerders]

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/17/141624/HA ZA 15-124 van de rechtbank Noord-Nederland van 8 juli 2015 en 23 december 2015;
b. het arrest in de zaak 200.184.563 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerders] toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 400,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
29 maart 2019.