Belanghebbende, woonachtig in Marokko, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep ontvankelijk was. Omdat belanghebbende geen domicilieadres in Nederland had gekozen, werd hij door de griffier bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht binnen vier weken.
Belanghebbende heeft het griffierecht niet voldaan en ook niet gereageerd op een tweede aangetekende brief waarin om een verklaring werd gevraagd voor het niet tijdig betalen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad vond geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 29 maart 2019.