Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Midden-Nederlandvan 26 september 2018, nr. UTR 17/2961, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 mei 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland inzake verzet tegen een eerdere uitspraak. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en hiervoor een termijn van vier weken gesteld. Hoewel de brief is afgeleverd, is het griffierecht niet voldaan.
Na een nadere briefwisseling waarin belanghebbende de niet-betaling trachtte te rechtvaardigen, oordeelt de Hoge Raad dat deze argumenten onvoldoende zijn om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.