ECLI:NL:HR:2019:492

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 april 2019
Publicatiedatum
3 april 2019
Zaaknummer
17/01679
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552p SvArt. 447 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid belanghebbenden in cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

Deze zaak betreft een beschikking van de Hoge Raad over de ontvankelijkheid van cassatieberoepen tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg inzake verlofverlening op grond van art. 552p, tweede lid, Sv. De belanghebbenden hadden beroep ingesteld, maar hebben geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de belanghebbenden niet-ontvankelijk moet verklaren.

De Hoge Raad overweegt dat het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn en door een raadsman betekent dat het beroep niet ontvankelijk is. Dit volgt uit het voorschrift van art. 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kunnen de belanghebbenden niet in het beroep worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaart daarom de belanghebbenden niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. De beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, met raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 april 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de belanghebbenden niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Uitspraak

2 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/01679 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op de beroepen in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 januari 2017, nummer RK 16/865, betreffende het verlenen van verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv, betreffende:
[klager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985;
[klager 5], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986;
[klager 2], geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991;
[klager 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957;
[klager 5], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988 en
[klager 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1.Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de belanghebbenden. Middelen van cassatie zijn namens dezen niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de belanghebbenden niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de belanghebbenden niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie hebben doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de belanghebbenden in het beroep niet kunnen worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de belanghebbenden niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 april 2019.