Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 april 2019.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een beschikking van de Hoge Raad over de ontvankelijkheid van cassatieberoepen tegen een beschikking van de Rechtbank Limburg inzake verlofverlening op grond van art. 552p, tweede lid, Sv. De belanghebbenden hadden beroep ingesteld, maar hebben geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de belanghebbenden niet-ontvankelijk moet verklaren.
De Hoge Raad overweegt dat het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn en door een raadsman betekent dat het beroep niet ontvankelijk is. Dit volgt uit het voorschrift van art. 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kunnen de belanghebbenden niet in het beroep worden ontvangen.
De Hoge Raad verklaart daarom de belanghebbenden niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. De beschikking is gegeven door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, met raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 april 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de belanghebbenden niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.