ECLI:NL:HR:2019:51

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
16 januari 2019
Zaaknummer
15/03129
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 94 lid 1 WnaArt. 78 Wet ROArt. 94 GrondwetArt. 103 lid 8 Wna
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontzetting uit het ambt van notaris na tuchtrechtelijke procedure

In deze zaak stond de tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt van notaris centraal, opgelegd door het gerechtshof Amsterdam na klachten over de professionele gedragingen van de voormalig notaris. De klachten betroffen werkzaamheden in 2009 bij de ontvlechting van een zakelijke gemeenschap, waarop de kamer voor het notariaat eerst berispingen en waarschuwingen oplegde.

Het hof vernietigde deze eerdere beslissingen en legde een zwaardere maatregel op: ontzetting uit het ambt met ingang van 18 mei 2015, vanwege ernstige schendingen van kerntaken en het vertrouwen in het notariaat. De appellant stelde dat het hof zonder voldoende motivering en zonder hem de mogelijkheid te geven zich uit te laten over de verzwaring van de sanctie heeft gehandeld, wat in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro).

De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het beroep in cassatie in principe niet mogelijk is tegen beslissingen van het hof in notarieel tuchtrecht, dit verbod doorbroken kan worden als fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. De Hoge Raad stelde vast dat de appellant wel degelijk de gelegenheid had gehad zich uit te laten over alle relevante stukken en rechtsgronden, zodat het recht op hoor en wederhoor niet was geschonden.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep ontvankelijk maar ongegrond en bevestigde de ontzetting uit het ambt. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de appellant in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontzetting uit het ambt van notaris en verwerpt het cassatieberoep.

Uitspraak

18 januari 2019
Eerste Kamer
15/03129
EV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerders]

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beslissing in de zaak 532869/NT 12-74, 534336/NT 13-2, 532874/NT 12-75 en 542872/NT 13-39 van de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam van 15 april 2014;
b. de beslissing in de zaak 200.148.916/01 NOT en 200.149.303/01 NOT van het gerechtshof Amsterdam van 12 mei 2015.
De beslissing van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beslissing van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
[verweerders] hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor [verzoeker] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
  • i) [verzoeker] is op 15 juli 2012 gedefungeerd als notaris.
  • ii) In 2009 heeft [verzoeker] als notaris werkzaamheden verricht ter ontvlechting van de tussen [verweerder 1] en zijn broer bestaande zakelijke gemeenschap.
3.2.1
[verweerders] hebben in verband met de hierboven onder (ii) vermelde werkzaamheden klachten tegen [verzoeker] ingediend bij de kamer voor het notariaat. De kamer voor het notariaat heeft de klachten gedeeltelijk gegrond verklaard en aan [verzoeker] (meermalen) een berisping opgelegd en een waarschuwing.
3.2.2
In appel heeft het hof de beslissingen van de kamer voor het notariaat vernietigd en, opnieuw beslissende,
[verweerders] gedeeltelijk in hun (aanvullende) klachten niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige de klachten gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Het hof heeft aan [verzoeker] de maatregel van ontzetting uit het ambt met ingang van 18 mei 2015 opgelegd en daartoe als volgt overwogen:
“6.20 Het hof acht gelet op de aard en de ernst van de tuchtrechtelijk laakbare handelwijze van de oud-notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden. Door zijn handelwijze heeft de oud-notaris het vertrouwen in het notariaat ernstig geschonden. Die handelwijze betreft het veronachtzamen van de kerntaken van de notaris en raakt daarmee de fundamenten van het rechtsverkeer. (…)”
3.3
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof, zonder nadere motivering, die ontbreekt, in strijd is met een fundamenteel rechtsbeginsel zoals neergelegd in
art. 6 EVRM Pro en dat het hof een ongeoorloofde verrassingsbeslissing heeft genomen door [verzoeker] uit het ambt te ontzetten. Als de rechter besluit tot een verzwaring van de opgelegde sanctie van een aard en omvang als in de onderhavige zaak, behoort de rechter dat niet te doen dan nadat aan de belanghebbende de gelegenheid is gegeven om zich hierover uit te laten. In de onderhavige procedure is echter noch door een der partijen noch door het hof enige aandacht besteed aan de vraag of er aanleiding was niet met waarschuwingen en/of berispingen te volstaan. Nu in de onderhavige zaak sprake is van een schending van fundamentele rechtsbeginselen, kan het rechtsmiddelenverbod van art. 94 lid 1 Wna Pro worden doorbroken, aldus nog steeds het middel.
3.4.1
Ingevolge art. 94 lid 1 Wna Pro wordt de tuchtrechtspraak over notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen in eerste aanleg uitgeoefend door de kamers voor het notariaat en in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam. Tegen beslissingen van het gerechtshof is geen hogere voorziening toegelaten. Aldus geeft art. 94 lid 1 Wna Pro een bijzondere wettelijke regeling die afwijkt van de algemene regel van art. 78 Wet Pro RO, op grond waarvan de Hoge Raad kennisneemt van het beroep in cassatie tegen de handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen van de gerechtshoven.
3.4.2
Deze regel van art. 94 lid 1 Wna Pro blijft echter op grond van art. 94 Grondwet Pro buiten toepassing indien – voor zover hier van belang – de toepassing daarvan niet verenigbaar is met het door art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht van eenieder op een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen.
De tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt van notaris, zoals in dit geval door het hof is opgelegd, heeft gevolgen voor de bevoegdheid om een beroep uit te oefenen, ook in geval de desbetreffende notaris reeds is gedefungeerd, nu deze maatregel op grond van art. 103lid 8 Wna meebrengt dat de betrokkene niet meer tot notaris of tot waarnemer kan worden benoemd of aan een notaris kan worden toegevoegd. Een beslissing van het gerechtshof tot oplegging van de tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt valt derhalve binnen de reikwijdte van art. 6 lid 1 EVRM Pro (vgl. EHRM 27 juni 1997, nr. 19773/92 (Philis v. Greece, No. 2), rov. 45), hetgeen meebrengt dat de in art. 94 lid 1 Wna Pro vervatte afwijking van 78 Wet RO buiten toepassing wordt gelaten indien aan het cassatieberoep ten grondslag is gelegd dat de rechter bij de behandeling van de zaak die tot die oplegging heeft geleid het door art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht op een eerlijke en onpartijdige behandeling heeft veronachtzaamd (vgl. HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824).
Nu het middel onder verwijzing naar art. 6 EVRM Pro betoogt dat het hof [verzoeker] ten onrechte niet de gelegenheid heeft gegeven zich uit te laten over een mogelijke verzwaring van de aan hem opgelegde sanctie zodat sprake is van schending door het hof van het recht op hoor en wederhoor, is het cassatieberoep ontvankelijk.
3.5.1
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Ingevolge art. 107 leden Pro 4 en 5 Wna behandelt het gerechtshof de zaak opnieuw in volle omvang en legt het, tenzij het beslist dat geen aanleiding bestaat tot het opleggen van enige maatregel, zelf een maatregel op die het in het gegeven geval passend oordeelt. Deze regel geldt ook wanneer uitsluitend de beklaagde hoger beroep heeft ingesteld. Een en ander brengt met zich dat een beklaagde die hoger beroep instelt tegen de beslissing van een kamer voor het notariaat rekening moet houden met de mogelijkheid dat in het door hem ingestelde hoger beroep een (aanzienlijk) zwaardere tuchtmaatregel wordt opgelegd, met dien verstande dat de beklaagde de mogelijkheid moet hebben gehad zich uit te laten over alle bescheiden en andere gegevens, die ter kennis van het gerechtshof zijn gebracht, en alle rechtsgronden die tot de beslissing tot oplegging van de zwaardere tuchtmaatregel hebben geleid (vgl. EHRM 4 maart 2014, nr. 45519/06 (Duraliyski/Bulgarije), rov. 31 e.v.)
3.5.2
In cassatie wordt niet geklaagd, en uit de bestreden beslissing blijkt ook niet, dat [verzoeker] niet de gelegenheid heeft gehad zich uit te laten over alle bescheiden en andere gegevens, die ter kennis van het hof zijn gebracht, en de rechtsgronden die tot de beslissing tot oplegging van de tuchtmaatregel hebben geleid. Een en ander brengt mee dat het hof bij de oplegging van de maatregel tot ontzetting uit het ambt van notaris niet heeft gehandeld in strijd met het door art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht van [verzoeker] op een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 390,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren J. Wortel, V. van den Brink, A.L.J. van Strien en E.F. Faase, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
18 januari 2019.