Belanghebbende diende bezwaar in tegen de WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting van de gemeente Rotterdam over 2015. De heffingsambtenaar stelde de beslistermijn op bezwaar met zes weken uit. Belanghebbende stelde de ambtenaar in gebreke en vroeg om een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. Uiteindelijk werd het bezwaar gegrond verklaard, maar werd geen dwangsom toegekend.
De rechtbank kende een dwangsom toe en een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof vernietigde dit en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens prematuriteit van de ingebrekestelling. De Hoge Raad oordeelde dat de termijnverlenging rechtsgeldig was, waardoor het beroep prematuur was, maar dat het Hof ten onrechte geen beslissing had genomen over de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en het vonnis van de rechtbank voor zover het de dwangsom betreft, en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling van de WOZ-waarde, immateriële schadevergoeding en proceskosten. Tevens werd het College van B&W Rotterdam veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.