ECLI:NL:HR:2019:52

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
16 januari 2019
Zaaknummer
16/05359
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 lid 1 Wna
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen herzieningsbeslissing in notarieel tuchtproces

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van verzoekers tegen een beslissing van het gerechtshof Amsterdam, dat in hoger beroep een herzieningsverzoek van verweerder, een voormalig notaris, had gegrond verklaard en de behandeling van het hoger beroep had heropend.

Verweerder was op 15 juli 2012 gedefungeerd als notaris. Naar aanleiding van klachten van verzoekers was aan verweerder door de kamer voor het notariaat een tuchtmaatregel van berisping en waarschuwing opgelegd. Het gerechtshof Amsterdam legde in hoger beroep een maatregel van ontzetting uit het ambt op.

Het hof heropende de tuchtzaak na een herzieningsverzoek van verweerder op basis van nieuwe feiten uit een civiele procedure. Verzoekers stelden cassatieberoep in tegen deze herzieningsbeslissing, maar de Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 94 lid 1 van Pro de Wet op het notarisambt geen hoger beroep mogelijk is tegen beslissingen van het gerechtshof in notariële tuchtzaken, ook niet tegen herzieningsbeslissingen.

Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk en veroordeelt verzoekers in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens uitsluiting van hoger beroep in notariële tuchtzaken.

Uitspraak

18 januari 2019
Eerste Kamer
16/05359
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaten: aanvankelijk mr. D.M. de Knijff en mr. R.L. Bakels, thans mr. D.M. de Knijff,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als verzoekers en verweerder.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beslissing in de zaak 200.183.956/01 NOT van het gerechtshof Amsterdam van 6 september 2016.
De beslissing van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beslissing van het hof hebben verzoekers beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Verweerder heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor verweerder toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in hun cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
  • i) Verweerder is op 15 juli 2012 gedefungeerd als notaris.
  • ii) Naar aanleiding van door verzoekers tegen verweerder ingediende klachten, heeft de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam bij beslissing van 15 april 2014 verweerder opgelegd de maatregel van berisping en waarschuwing (meermalen).
  • iii) Het gerechtshof Amsterdam heeft in het hoger beroep bij beslissing van 12 mei 2015 aan verweerder de maatregel opgelegd van ontzetting uit het ambt met ingang van 18 mei 2015.
3.2.1
Verweerder heeft het gerechtshof Amsterdam verzocht de tuchtrechtelijke beslissing van 12 mei 2015 te herzien, omdat in het kader van de door verzoekers ingestelde civiele procedure feiten aan het licht zijn gekomen die, indien zij in de tuchtzaak bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing hadden kunnen leiden.
3.2.2
Het hof heeft het herzieningsverzoek bij beslissing van 6 september 2016 gegrond verklaard en de behandeling van het hoger beroep van verweerder tegen de beslissing van de kamer van 15 april 2014 heropend.
3.3
Tegen deze beslissing van het hof hebben verzoekers cassatieberoep ingesteld.
3.4.1
Ingevolge art. 94 lid 1 Wna Pro wordt de tuchtrechtspraak over notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen in eerste aanleg uitgeoefend door de kamers voor het notariaat en in hoger beroep door het gerechtshof Amsterdam. Tegen beslissingen van het gerechtshof is geen hogere voorziening toegelaten. Deze regel strekt zich uit tot alle beslissingen inhoudende tuchtrechtspraak over notarissen, zodat hij ook van toepassing is op beslissingen betreffende de herziening van in hoger beroep door het gerechtshof gewezen tuchtrechtelijke uitspraken.
3.4.2
Verzoekers kunnen daarom niet worden gevolgd in hun betoog dat de regel van art. 94 lid 1 Wna Pro bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep buiten aanmerking moet blijven. Op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 3.9 tot en met 3.11 van de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal brengt deze bepaling mee dat verzoekers in hun beroep niet kunnen worden ontvangen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt verzoekers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van verweerder begroot op € 393,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren J. Wortel, V. van den Brink, A.L.J. van Strien en E.F. Faase, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
18 januari 2019.