ECLI:NL:HR:2019:549

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2019
Publicatiedatum
5 april 2019
Zaaknummer
17/04061
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens termijnoverschrijding

Betrokkene stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had een betalingsverplichting opgelegd die betrokkene aanvocht.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de betalingsverplichting, en stelde voor het bedrag te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Het eerste middel van betrokkene werd verworpen omdat het geen relevante rechtsvragen opriep.

Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro tijdens de cassatiefase, vanwege te late toezending van stukken door het hof. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de betalingsverplichting te verminderen van €5.735,44 naar €5.449.

De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betrof en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd de betalingsverplichting verlaagd wegens schending van het redelijke termijnbeginsel.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot €5.449 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.

Uitspraak

9 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/04061 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 26 juli 2017, nummer 21/004157-16, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond
.Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 5.735,44.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 5.449,- bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 april 2019.