Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
9 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Echter heeft hij niet binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad volgt dit advies en wijst het beroep af op grond van niet-ontvankelijkheid.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, samen met raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 9 april 2019.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-indienen van cassatiemiddelen binnen de wettelijke termijn.