Uitspraak
wonende te [woonplaats 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
gevestigd te Zeist,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
(rov. 11 en 12)
4.Beslissing
12 april 2019.
Hoge Raad
De werknemer was sinds 1980 in dienst bij Verzekerings Unie B.V. (VU) en sloot in 2012 een beëindigingsovereenkomst zonder beëindigingsvergoeding. De werknemer vorderde later alsnog een vergoeding wegens dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden, omdat VU hem niet had geïnformeerd over reorganisatieplannen.
De kantonrechter kende de vergoeding toe, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde de werknemer tot terugbetaling. Het hof oordeelde dat VU geen spreekplicht had omdat de reorganisatieplannen toen nog onvoldoende concreet waren en dat de vaststellingsovereenkomst bindend was.
De Hoge Raad stelde vast dat de comparitie voorafgaand aan het arrest door een raadsheer-commissaris was gehouden, terwijl het arrest door een meervoudige kamer werd gewezen. Dit is in strijd met eerdere jurisprudentie, omdat partijen niet de mogelijkheid kregen om een behandeling door de meervoudige kamer te verzoeken.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling. VU werd veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.