Uitspraak
gevestigd te Arnhem,
kantoorhoudende te Venlo,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe het volgende overwogen:
4.Beslissing
19 april 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de vordering van zorginstelling Ciran tegen zorgverzekeraar VGZ tot betaling van uitstaande declaraties en een verbod op opschorting, inhouding of verrekening van deze declaraties door VGZ. VGZ had vanaf maart 2017 betalingen opgeschort wegens vermeend onjuist declaratiegedrag en verrekende circa €7 miljoen met openstaande declaraties.
Ciran was failliet verklaard en de curator trad op als verweerpartij. De voorzieningenrechter wees de vorderingen van Ciran af, maar het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen toe. Het hof veroordeelde VGZ tot betaling en legde tevens een dwangsom op om zich te onthouden van opschorting of verrekening zolang niet definitief was vastgesteld dat VGZ een tegenvordering had.
VGZ stelde in cassatie dat het hof onterecht een dwangsom had verbonden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom, wat volgens art. 611a lid 1 Rv niet is toegestaan. De Hoge Raad oordeelde dat het bevel tot onthouding van opschorting wel met een dwangsom kan worden versterkt omdat dit niet gelijkstaat aan een veroordeling tot betaling. Wel vernietigde de Hoge Raad het arrest vanwege onduidelijkheid en tegenstrijdigheid over de hoogte van de dwangsom en wees de zaak terug voor nieuwe beslissing.
De Hoge Raad veroordeelde tevens de curator in de kosten van het cassatiegeding. Het arrest werd gewezen door de vicepresident en vier raadsheren en op 19 april 2019 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor nieuwe beslissing over de dwangsom.