Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Hollandvan 12 oktober 2018, nr. HAA 18/378 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 augustus 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Voor het indienen van het cassatieberoep was betaling van griffierecht vereist. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht, maar heeft niet voldaan aan de verplichting om een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen in te dienen.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende meerdere malen aangeschreven en gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en de gevolgen van niet-betaling. Ondanks deze aanmaningen en de ontvangstbevestiging van de brieven, heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan en niet gereageerd op verzoeken om uitleg.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is op 12 april 2019 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.