ECLI:NL:HR:2019:59

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
17 januari 2019
Zaaknummer
18/01558
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens schending hoorplicht

Belanghebbende had tegen een aanslag inkomstenbelasting 2015 met boetebeschikking een pro forma bezwaarschrift ingediend en verzocht om gehoord te worden. De Inspecteur wilde het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaren, bood echter gelegenheid tot mondelinge toelichting. Belanghebbende gaf een schriftelijke toelichting maar kwam niet terug op het verzoek tot hoorzitting.

De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard en dat hij mocht afzien van een hoorzitting. De Hoge Raad oordeelt echter dat uit het niet terugkomen op het verzoek niet mag worden afgeleid dat afstand is gedaan van het recht te worden gehoord, waarmee de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden.

De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraken van Hof en Rechtbank en draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraak te doen met inachtneming van het arrest. Tevens worden proceskosten toegewezen aan belanghebbende. Dit arrest bevestigt het belang van de hoorplicht bij bezwaarprocedures volgens de Awb.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de Inspecteur op de hoorplicht, waarna nieuwe beslissing volgt.

Uitspraak

18 januari 2019
Nr. 18/01558
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 16 maart 2018, nr. BK‑17/00888, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/4498) betreffende de aan belanghebbende gegeven boetebeschikking bij de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Namens belanghebbende is op 26 april 2017 een pro forma bezwaarschrift bij de Inspecteur ingediend, gericht tegen een met dagtekening 24 februari 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 met een daarbij gegeven boetebeschikking.
2.1.2.
In het pro forma bezwaarschrift is verzocht op het bezwaar te worden gehoord. Bij brief van 22 mei 2017 heeft de Inspecteur medegedeeld dat hij voornemens was het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren, maar dat hij belanghebbende nog de gelegenheid bood het bezwaar mondeling toe te lichten, met het verzoek daarvoor uiterlijk 12 juni 2017 een afspraak te maken. Nadien heeft de Inspecteur deze termijn verlengd tot 29 juni 2017.
2.1.3.
In een e-mailbericht van 13 juni 2017 heeft de gemachtigde van belanghebbende een toelichting op het bezwaarschrift gegeven. Daarbij is hij niet meer teruggekomen op het verzoek om op het bezwaar te worden gehoord.
2.1.4.
Bij uitspraak op bezwaar van 15 juni 2017 is het bezwaar wegens overschrijding van de daarvoor geldende termijn niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.1.
Bij de Rechtbank en het Hof was in geschil of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, en of de Inspecteur een hoorzitting achterwege mocht laten.
2.2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur het bezwaar ten onrechte heeft aangemerkt als kennelijk niet-ontvankelijk als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en letter a, Awb, maar dat hij uit de omstandigheid dat na zijn uitnodiging tot het maken van een afspraak voor een hoorgesprek het bezwaar nader is gemotiveerd zonder dat nog iets is vermeld inzake het verzoek te worden gehoord, mocht afleiden dat van het hoorgesprek kon worden afgezien, als voorzien in artikel 7:3 aanhef Pro en letter d, Awb.
2.2.3.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, overwegende dat de Rechtbank op goede gronden juiste beslissingen heeft genomen.
2.3.
De in cassatie aangevoerde klachten treffen doel voor zover zij zijn gericht tegen het hiervoor in onderdeel 2.2.2 als tweede weergegeven oordeel.
Uit de omstandigheid dat belanghebbende in zijn e‑mailbericht van 13 juni 2017 niet is teruggekomen op zijn eerder gedane verzoek te worden gehoord, mocht de Inspecteur niet zonder meer afleiden dat belanghebbende afstand had gedaan van zijn recht te worden gehoord (vgl. HR 15 mei 2009, nr. 08/00437, ECLI:NL:HR:2009:BI3751). Het in de bestreden uitspraak bevestigde oordeel dat de Inspecteur kon afzien van het horen, is daarom onjuist. De Inspecteur dient alsnog toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 7:2 Awb Pro.
De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,
draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 126, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 124 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 46,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2048 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.