Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke inbreuk op het auteursrecht van de Kamer van Koophandel door het verspreiden van brieven met het woordmerk 'KvK'. Het Hof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat de lettercombinatie 'KvK' als woordmerk auteursrechtelijk beschermd is en dat de verdachte daarmee inbreuk had gemaakt.
De Hoge Raad herhaalde het toetsingskader voor het begrip 'werk' in de Auteurswet, waarbij vereist is dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Het Hof had echter nagelaten te motiveren waarom de lettercombinatie 'KvK' aan deze criteria voldoet. De enkele registratie als woordmerk is onvoldoende reden voor auteursrechtelijke bescherming.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat de bewezenverklaring omtrent het woordmerk ontoereikend is gemotiveerd en vernietigde het arrest van het Hof voor zover het de tenlastelegging en strafoplegging betreft. De zaak werd terugverwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor het onderdeel auteursrechtelijke bescherming van het woordmerk 'KvK' en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.