Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
[betrokkene 1] , die in voornoemde strafzaak verdachte was."
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor gekwalificeerde meineed omdat hij op 29 oktober 2015 als getuige onder ede in een strafzaak tegen een medeverdachte een valse verklaring heeft afgelegd. Deze verklaring was strijdig met de feiten, aangezien de verdachte zelf degene was die het slachtoffer op 20 januari 2013 had neergeschoten.
Het hof had geoordeeld dat de valse verklaring 'ten nadele van' de medeverdachte was afgelegd, hetgeen de Hoge Raad bevestigt. De Hoge Raad benadrukt dat het niet vereist is dat de valse verklaring daadwerkelijk nadelige gevolgen heeft gehad voor de medeverdachte, conform eerdere jurisprudentie.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden doordat de stukken te laat werden ingezonden. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof uitsluitend wat betreft de strafoplegging, vermindert de straf tot twee maanden en drie weken gevangenisstraf en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Gekwalificeerde meineed bewezen verklaard, gevangenisstraf verminderd tot twee maanden en drie weken wegens termijnoverschrijding.