Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Beslissing3.
16 april 2019.
Hoge Raad
Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot doodslag door ’s nachts met een mes in de buikstreek van een ander te steken in diens woning te Amersfoort. Tegen dit arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde het cassatieberoep en concludeerde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden. Tevens was er geen schriftelijk standpunt van de Advocaat-Generaal ingediend zoals bedoeld in artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Op grond hiervan verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad onder voorzitterschap van vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers op 16 april 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en gegrondheid.