Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
16 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor grootschalige hypotheekfraude, waarbij valsheid in geschrift werd gepleegd door het valselijk opmaken van formulieren voor hypotheekaanvragen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde deze veroordeling in maart 2017 en legde een taakstraf van 100 uur op, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 50 dagen.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij de advocaat middelen van cassatie aanvoerde. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling waren.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis. De taakstraf werd verminderd naar 95 uur en de vervangende hechtenis naar 47 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De taakstraf werd verminderd tot 95 uur en de vervangende hechtenis tot 47 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.