De Staatssecretaris van Financiën had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over een beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting over de periode van 20 juni 2013 tot en met 31 december 2013. Dit cassatieberoep werd vervolgens ingetrokken.
Belanghebbende verzocht daarop de Hoge Raad om de Staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten die verband houden met de behandeling van het cassatieberoep. De Staatssecretaris diende een verweerschrift in.
De Hoge Raad beoordeelde het verzoek en oordeelde dat belanghebbende redelijkerwijs proceskosten heeft moeten maken in verband met de behandeling van het cassatieberoep. Daarom veroordeelde de Hoge Raad de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Het arrest werd gewezen door raadsheer E.N. Punt als voorzitter, samen met raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.