ECLI:NL:HR:2019:634

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
18 april 2019
Zaaknummer
18/04688
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt hoofdverblijfplaats minderjarigen bij ouder in echtscheidingszaak

In deze zaak stond centraal bij welke ouder de minderjarige kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben na de echtscheiding van de ouders. De vader stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2018, waarin het hof zijn standpunt verwierp.

De moeder, de Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg waren belanghebbenden in cassatie, maar hebben geen verweerschriften ingediend. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop de advocaat van de vader schriftelijk reageerde.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Daarom werd het beroep verworpen en het vonnis van het hof bekrachtigd.

Deze beschikking betreft een toepassing van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en artikel 1:253a BW over de hoofdverblijfplaats van minderjarigen na echtscheiding.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen en het oordeel van het hof over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen wordt bekrachtigd.

Uitspraak

19 april 2019
Eerste Kamer
18/04688
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaten: mr. D.M. de Knijff en
mr. M.S. van der Keur,
t e g e n
1. [de moeder] ,
wonende te [woonplaats 2] , Frankrijk,
VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen,
en
2. DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGI ZUIDOOST NEDERLAND,
gevestigd te Maastricht,
3. STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
gevestigd te Heerlen,
BELANGHEBBENDEN in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader, de moeder, de raad en de stichting.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/03/230607/FA RK 17-130 van de rechtbank Limburg van 6 oktober 2017, aangevuld bij beschikking van 29 november 2017;
b. de tussenbeschikking in de zaak 200.230.842/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 april 2018 en de beschikking in de zaken 200.230.842/01 en 200.235.196/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 oktober 2018.
De beschikking van het hof van 4 oktober 2018 is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof van 4 oktober 2018 heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder, de raad en de stichting hebben geen verweerschriften ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vader heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
19 april 2019.