ECLI:NL:HR:2019:636

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
18 april 2019
Zaaknummer
18/02777
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 lid 1 BW (oud)Art. 1:100 lid 2 BWWet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgemeenschap en draagplicht voor schulden bij ontbinding vóór nieuwe wet

Partijen zijn in 2002 gehuwd in gemeenschap van goederen. De man exploiteert samen met zijn broer een vennootschap onder firma. De vrouw verzocht in december 2015 om echtscheiding en vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank bepaalde dat de man volledig draagplichtig was voor bepaalde schulden, maar het hof wijzigde dit naar gelijke draagplicht voor de schulden aan de belastingdienst tot 2 december 2015, met uitzondering van boetes.

De vrouw stelde in cassatie dat het nieuwe art. 1:100 lid 2 BW Pro, dat vanaf 1 januari 2018 geldt en een gelijke draagplicht voorschrijft tenzij anders redelijk is, van toepassing moest zijn omdat de verdeling nog niet had plaatsgevonden. De Hoge Raad oordeelde dat dit artikel niet terugwerkende kracht heeft en dat het oude art. 1:100 lid 1 BW Pro van toepassing blijft omdat de ontbinding van de gemeenschap vóór 1 januari 2018 plaatsvond.

De overige klachten van de vrouw werden niet behandeld omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het oude art. 1:100 lid 1 BW van toepassing is op de verdeling van de huwelijksgemeenschap die vóór 1 januari 2018 werd ontbonden.

Uitspraak

19 april 2019
Eerste Kamer
18/02777
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaken 406035 en 423887 van de rechtbank Midden-Nederland van 4 mei 2016 en 28 februari 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.216.503 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn in 2002 gehuwd in gemeenschap van goederen.
(ii) De man exploiteert samen met zijn broer een vennootschap onder firma, genaamd v.o.f. [A] (hierna: de v.o.f.).
(iii) De vrouw heeft in december 2015 een verzoek tot echtscheiding ingediend en daarbij verzocht om de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen.
(iv) De echtscheidingsbeschikking is op 29 september 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
Partijen hebben over en weer verzocht de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen op de wijze zoals door elk van hen is voorgesteld. De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, beslist dat de man in de onderlinge verhouding tussen partijen geheel draagplichtig is voor de schulden van de man aan de belastingdienst die zien op de periode voor 2 december 2015 en voor (zijn aandeel in) de schulden van de v.o.f.
3.2.2
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden aan de belastingdienst wegens nog niet betaalde inkomstenbelasting voor zover die betrekking hebben op de periode tot 2 december 2015, met uitzondering van de aan de man opgelegde en nog op te leggen boetes en andere strafmaatregelen.
3.3.1
Onderdeel 2.1 van het middel verwijt het hof dat het heeft miskend dat het sinds 1 januari 2018 geldende art. 1:100 lid 2 BW Pro op de onderhavige verdeling van toepassing is. Het onderdeel wijst erop dat het artikel onmiddellijke werking heeft en dat de verdeling nog niet heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Met ingang van 1 januari 2018 (de datum van inwerkingtreding van de Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken) luidt het tweede lid van art. 1:100 BW Pro als volgt:
“Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit.”
Met deze bepaling heeft de wetgever beoogd een ruimere uitzonderingsmogelijkheid te creëren op het uitgangspunt van gelijke draagplicht voor gemeenschaps-schulden bij ontbinding dan die welke bestond onder art. 1:100 lid Pro 1 (oud) BW (zie de passage uit de wetsgeschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6).
3.3.3
De hiervoor in 3.3.2 genoemde wet voorziet niet in een bijzondere regel van overgangsrecht voor art. 1:100 lid 2 BW Pro. Aangenomen moet daarom worden dat deze bepaling vanaf 1 januari 2018 van toepassing is op de verdeling van een huwelijksgemeenschap die na die datum wordt ontbonden.
Nu de onderhavige gemeenschap is ontbonden vóór 1 januari 2018, is daarop art. 1:100 lid Pro 1 (oud) BW van toepassing. Het onderdeel faalt derhalve.
3.4
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
19 april 2019.