Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Amsterdamvan 3 mei 2017, nr. AMS 16/6468 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 13 januari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, die het verzet van belanghebbende tegen een eerdere uitspraak behandelde. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Volgens deze bepaling kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de bestuursrechter indien dit wettelijk is toegestaan.
De Hoge Raad constateerde dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het instellen van cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam in deze zaak, omdat deze uitspraak niet betrekking heeft op een besluit genomen op grond van de belastingwet. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om de proceskosten aan de belanghebbende op te leggen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 19 april 2019 door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan wettelijke grondslag.